Dossieropdracht 12

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 28, 2009 by wiskundewouter

Dossieropdracht 12

 

Ø     Onderzoek welk onderdeel van deze les je zou kunnen vervangen door een samenwerkingsvorm.

 

In mijn les zou ik na het ophalen van de voorkennis en de korte instructie van de eerste opgave een samenwerkingsvorm willen doen. Nu had ik na het klassikaal behandelen zelfwerkzaamheid gedaan waarin de leerlingen zelfstandig de opdrachten mochten maken. Ik liep langs om vragen te beantwoorden en om te kijken of ze aan het werk waren. De leerlingen moesten het zoveel mogelijk zelf doen maar er was wel de mogelijkheid om vragen te stellen aan degene naast hun.

 

Ø     Welke samenwerkingsvorm zou dat zijn en hoe zou je dat aanpakken?

 

Het lijkt mij en goed idee om check-in-duo’s te proberen. Ik heb dit eerder gedaan met het bespreken van het huiswerk en toen ging het al best goed. Ik zou de leerlingen in tweetallen zetten en dan de instructie geven.

 

Ø     Beschrijf welke instructie je aan leerlingen zou geven en hoe je (na het samenwerkingsdeel) de les weer vervolgt (welke vragen ga je dan stellen?)

 

Ik zou de leerlingen vragen om in tweetallen te gaan zitten als ze nog niet zo zitten. Het maakt mij niet zoveel uit met wie ze zitten. Misschien is verschil in niveaus hier juist wel interessant. Ik vertel ze dat ze eerst zelf de opgaven maken. Als ze hier mee klaar zijn dan wil ik dat ze de antwoorden met elkaar bespreken. Hebben ze verschillende antwoorden dan moeten ze er onderling uitkomen wie er gelijk heeft en waarom. Zo moeten ze samen op de goede antwoorden komen. Als ze er in tweetallen zijn uitgekomen moeten ze het nog een keer kort bespreken met een ander duo dat al klaar is. Ik loop rond en zal mijn oor te luister leggen om vast te stellen welke opgave of onderdeel ervan bij veel leerlingen problemen opleveren.

Ik geef ze ongeveer tien minuten de tijd hiervoor en na deze tien minuten ga ik de vragen bespreken waarover de leerlingen geen overeenstemming over konden bereiken.

 

Na deze bespreking gaan we gezamenlijk kijken naar de volgende opgave. Ik stel hier een aantal controlevragen en hierna mogen de leerlingen zelfstandig verder. Misschien ook wel een idee om hier met check-in-duo’s te werken..

 

Wouter Fondse

Dossieropdracht 8 – interviews over proefwerken en toetsen

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 26, 2009 by wiskundewouter

Dossieropdracht 8 – interviews over proefwerken en toetsen deeltijd alternatief

 

a)     Lees opdracht 8a. Je mag, als je geen werkplek hebt, voor dossieropdracht 8a een medestudent met ervaring als wiskundedocent en met een andere bevoegdheid vragen voor een interview. Verwerk deze opdracht op je blog.

 

Geef je mening over de volgende uitspraken en vergelijk je mening met die van je medestudenten.

Ik heb Ellen Balemans gevraagd om antwoord te geven op deze stellingen.

 

1.      Wil je vak serieus genomen worden door de leerlingen dan moet je er als leraar voor zorgen, dat het aantal onvoldoendes voor je vak niet al te klein is.

 

Ellen: Daar ben ik het niet mee eens, als leerlingen er hard voor werken en ze

            beheersen de stof, verdienen ze een voldoende. Als je een klas met

            hardwerkende leerlingen hebt, zouden er dan toch een aantal een

            onvoldoende moeten halen. Dit zou niet terecht zijn.

            Als ze altijd allemaal voldoende scoren klopt het ook niet, er moet dan

waarschijnlijk iets aan het niveau van de toetsen gedaan worden.

           

Wouter: Ik deel de mening van Ellen, het kan zijn dat de leerlingen erg hard hun best doen en dat je als leerkracht de leerlingen goed kunt motiveren. Als ze dan (bijna) allemaal een voldoende halen is dat een prestatie waar je allemaal trots op kunt zijn. Als iedereen allemaal voldoendes haalt dan klopt dit lijkt mij niet, dan lijkt mij het inderdaad een goed idee om de toetsen iets moeilijker te maken.

           

2.      Rapporten en cijfers zijn machtinstrumenten in handen van docenten.

 

Ellen: Een beetje wel, maar er zijn ook leerlingen die het niet uitmaakt wat voor

punten ze halen.

           

Wouter: Ik merk in mijn eigen klas dat leerlingen erg gemotiveerd zijn als er cijfers te verdienen zijn. Wat dat betreft kun je het wel gebruiken als machtinstrumenten. Het is de taak van de docenten om hier goed mee om te gaan. Je moet leerlingen laten zien dat ze het niet alleen voor het cijfer doen maar ook voor hun toekomst bijvoorbeeld.

 

3.      Verbale rapporten geven een beter inzicht in de geleverde prestaties van de leerlingen dan cijfers.

 

Ellen: Ik denk dat het een combinatie moet zijn. Alleen punten zeggen niet alles.

Voor een 5 kan hard gewerkt zijn, terwijl er toch maar een 5 staat. Het is fijn als je dat dan kan toelichten. Om helemaal geen punten te geven heeft ook niet zoveel nut, ouders willen toch graag een punt weten, ze gaan het dan zelf omrekenen (een v is een 6, rv is een 7, enz.)

           

Wouter: Cijfers zijn wat mij betreft onmisbaar. Wel is het zo dat je leerlingen en ouders uit kan leggen hoe de cijfers tot stand zijn gekomen. Ouders moeten de gelegenheid krijgen om te kunnen reageren. Dit kan bij mij op school altijd na elk rapport. Mocht een leerling het niet goed doen dan kun je tijdens een gesprek aangeven hoe dit komt.

 

4.      Cijfers dienen uit sociaal-pedagogisch overwegingen afgeschaft te worden, daar ze onder de leerlingen een ongezonde competitiegeest te scheppen.

 

Ellen: Het moet niet te extreem worden, maar dat leerlingen willen presteren, is    alleen maar fijn. Je moet het als docent wel relativeren.

           

Wouter: Het is niet verkeerd om cijfers te geven vind ik. Als leerlingen hier op een goede manier een competitie van maken is dit niet zo erg denk ik. Bij mij in de klas krijgen de leerlingen die het goed doen een applaus als ik hun cijfers op lees. Dit vind ik heel motiverend. Als ik een toets heb nagekeken roep ik de leerlingen die het niet goed hebben gedaan bij me en neem de toets met ze door. Ik vraag hun ook waarom ze een onvoldoende hebben. Hierna vertel ik de cijfers aan de klas, behalve van de leerlingen die hun cijfer dan al weten. De leerlingen die boven verwachting hebben gescoord geef ik een extra compliment.

 

5.      Een leraar die met zijn manier van cijfers geven het prestatiebeeld laat ontstaan van: 25 procent slecht, 50 procent middelmaat en 25 procent goed hanteert het cijfersysteem op de juiste wijze.

 

Ellen: Met examens wordt het inderdaad zo gedaan, maar wij bepalen van te voren de norm, dan kom je dus niet uit op dit beeld. Maar dat wil ook zeggen dat de cijfers niet hetzelfde betekenen. Als je een zwakke klas hebt die op dat beeld uit moet komen, zou een leerling die de stof daar niet helemaal beheerst, toch op hetzelfde cijfer kunnen uitkomen, als een leerling in een sterke klas, die de stof wel helemaal beheerst. Dit zou ik erg raar vinden.

           

Wouter: Ik ben niet bekend met het normeren op de manier die hierboven beschreven staat in de stelling. Zoals Ellen het verteld hoe het met examens gaat begrijp ik wel en dit vind ik ook wel redelijk. Maar ik kan ook goed inkomen in het voorbeeld wat Ellen daaronder aanhaalt. Dit zou ik ook raar vinden. Ik ben benieuwd hoe het op mijn toekomstige school gaat.

 

 

6.      De enige reden om cijfers te handhaven is het feit, dat ze gemakkelijk te administreren en te verwerken zijn.

 

Ellen: Ze zijn inderdaad het makkelijkste te administreren, maar het is niet de enige reden. Je kunt er ook een niveau mee aangeven, of ze het beheersen. Het

kan ook een beloning zijn.

 

Wouter: Cijfers zijn erg handig om te kijken op welk niveau een leerling zich bevindt. Het geeft een redelijk betrouwbaar overzicht. Voor leerlingen, leerkrachten en ouders lijkt me dit niet meer weg te denken.

 

7.      Cijfers zijn als motivatiemiddel onmisbaar.

 

Ellen: Ja, als leerlingen ergens geen punt voor krijgen, zijn ze minder gemotiveerd, als wanneer ze er wel een punt voor krijgen.

 

Wouter: Ik merk het op mijn school dat leerlingen gemotiveerder zijn als ze ergens een cijfer voor krijgen. Niet alles hoeft een cijfer te krijgen maar leerlingen zijn wel gewend om voor alles beoordeeld te worden.

 

b)     Lees opdracht 8b. voer stageopdracht 70 uit `Geerlings´ uit (blz. 382). Voor dossieropdracht 8b voer je een gesprek met een aantal (minimaal 4) leerlingen van 12 tot 16 jaar: Eigen kinderen, buurtkinderen, neefjes en nichtjes zijn hierbij allemaal geschikte informatiebronnen. Verwerk deze opdracht op je blog.

 

Opdracht: interview een aantal leerlingen over het gebruik van cijfers en de effecten ervan op het leergedrag. Schenk onder meer aandacht aan de volgende aspecten:

 

 

 

Elvira H.

Fatima I.

Jasmina Z.

Foroezan H.

Hebben onvoldoendes een motiverend of juist een demotiverend effect?

Bij Elvira is het zo dat ze juist extra haar best gaat doen als ze een onvoldoende heeft gehaald.

Volgende keer wil ze het dan beter doen.

Jasmina is gemotiveerd om de volgende keer een hoger cijfer te halen.

Als ze een onvoldoende haalt wil ze de keer daarna nog beter haar best gaan doen.

Kunnen ze goed inschatten hoe ze een toets hebben gemaakt?

Elvira verwacht soms een hoger cijfer. Vaak klopt het wel met haar verwachtingen. Ze kan het goed inschatten.

Soms verwacht Fatima dat ze een voldoende haalt maar dat is dan niet zo. Ze kan het niet altijd goed inschatten.

Meestal denkt Jasmina dat ze een zware onvoldoende haalt maar dit valt vaak wel mee.

Als Foroezan geleerd heeft haalt ze een hoog cijfer, als ze niet geleerd heeft haalt ze een laag cijfer. Het klopt eigenlijk altijd.

Leidt het gebruik van cijfers tot concurrentie in de klas?

Voor Elvira geldt er geen competitiestrijd.

Ze vindt het knap van de andere die een hoog cijfer halen. Ze wil dit zelf dan ook maar ze maakt er geen competitie van.

Het maakt Jasmina niet uit welke cijfers andere kinderen halen.

Ze houdt zich bezig met haar eigen cijfers. De rest maakt haar niet zo veel uit.

Wordt een leerling die altijd zijn best doet en hoge cijfers haalt, geaccepteerd of is dat een ´uitslover´?

Als de persoon die hoge cijfers haalt normaal reageert, vindt ze het knap. Doet de persoon overdreven, dan vindt ze hem een uitslover.

Ze vindt het knap want dan heeft deze persoon zijn of haar best gedaan.

Jasmina vindt het juist knap als iemand veel leert en hoge cijfers haalt.

Ze vindt het knap als iemand hoge cijfers haalt.

Word je door de leerkracht aangesproken indien je een zware onvoldoende haalt?

Elvira haalt geen onvoldoendes.

Ja, de leerkracht vraagt dan of ze het heeft geleerd.

Als Jasmina een paar keer een onvoldoende haalt vraagt de meester hoe dit komt.

Foroezan wordt er soms wel op aangesproken door haar leerkracht.

Hoe reageren je ouders op behaalde cijfers?

Als Elvira het goed heeft gedaan dan krijgt ze een kleinigheidje. Doet ze het niet goed dan zegt haar vader dat het beter kan.

Ze vragen altijd of ze het heeft geleerd. Als dit niet het geval is dan zeggen ze dat ze straf krijgt als ze het de volgende keer ook niet leert.

Bij een onvoldoende zegt haar moeder dat ze beter haar best moet doen, bij een voldoende of een heel hoog cijfer zegt ze dat Jasmina goed haar best heeft gedaan.

Bij een hoger cijfer vindt haar moeder het goed van haar. Bij een laag cijfer zegt ze dat ze beter haar best moet doen.

 

Samenvattend:

Hebben onvoldoendes een motiverend of juist een demotiverend effect?

Voor alle ondervraagde leerlingen geldt dat ze na een onvoldoende te hebben gehaald beter hun best gaan doen voor de volgende toets.

Kunnen ze goed inschatten hoe ze een toets hebben gemaakt?

Hier hebben de leerlingen verschillend gereageerd. Sommige kunnen het goed inschatten, sommige niet.

Leidt het gebruik van cijfers tot concurrentie in de klas?

Nee, deze leerlingen zijn blij als andere kinderen een goed cijfer hebben. En ze zijn vooral met zichzelf bezig.

Wordt een leerling die altijd zijn best doet en hoge cijfers haalt, geaccepteerd of is dat een ´uitslover´?

Hierin zijn de kinderen eensgezind. Doet iemand goed zijn best en haalt deze persoon een hoog cijfer, dan vinden ze dit knap.

Word je door de leerkracht aangesproken indien je een zware onvoldoende haalt?

Drie van de vier worden door hun leerkracht aangesproken als ze één of meerder onvoldoendes halen. Eén haalt nooit onvoldoendes..

Hoe reageren je ouders op behaalde cijfers?

Alle vier de ondervraagde kinderen zeggen dat hun ouders blij zijn met een voldoende en bij een onvoldoende vinden ze dat hun kind harder moet leren.

 

Wouter Fondse

Dossieropdracht 11 BIT – verslag

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 13, 2009 by wiskundewouter

Dossieropdracht 11 – BIT verslag

 

Voor deze opdracht heb ik hoofdstuk 8 gelezen uit “Wiskundeonderwijs in de basisvorming”.

 

Samenwerken in de klas.

 

In de inleiding komt meteen naar voren dat de leraar tegenwoordig anders les moet geven dan vroeger. In plaats van het vroegere voordoen – nadoen is het nu meer probeer het zelf eens. Ik ben het hier wel mee eens. Bij mij op school proberen we ook steeds meer uit de leerlingen zelf te laten komen. Ze zelf dingen te laten oplossen en zelf laten kiezen wat ze willen doen en op welk moment. Leerlingen weten vaak zelf wat het beste voor hen is.

 

Mijn directrice is op studiereis geweest naar Denemarken en ze heeft daar ook enkele scholen bezocht. Bij één school mochten de leerlingen zelf weten wanneer ze naar buiten gaan om pauze te houden, ze mochten zelf bepalen naast wie ze gingen werken en waar ze gingen zitten. Ze mochten ook weten wanneer ze wilden eten enz.

Ik heb hier een aantal dingen van overgenomen. De leerlingen bij mij in de klas mogen zelf weten wanneer ze hun eten en drinken nemen, met wie ze gaan samenwerken en waar ze gaan zitten. Dit alles mag zolang er natuurlijk gewerkt wordt. Tot nu toe is dit een groot succes, de leerlingen werken in de klas waar ze willen, met wie ze willen en ze doen het in de volgorde die ze zelf kiezen. Het voordeel hiervan is dat de leerlingen kunnen samenwerken met degene met wie ze dat graag willen doen of juist ervoor kiezen om alleen te werken. In mijn lokaal heb ik verschillende plaatsen waar de leerlingen rustig alleen, met z’n tweeën, drieën of vieren kunnen werken. Ik merk dat de leerlingen vooral andere leerlingen kiezen die op hetzelfde niveau werken. Homogene groepjes of tweetallen dus en geen heterogene.

 

Ik begin altijd met een klassikale uitleg. Leerlingen die al weten wat ze moeten doen beginnen vast met hun werk. Na de uitleg loop ik altijd hetzelfde rondje door de klas en kunnen leerlingen nog vragen stellen. De leerlingen mogen nu kiezen waar en met wie ze gaan werken. Hierna ga ik aan de instructietafel vooraan in de klas zitten. Ik kan dan de leerlingen goed in de gaten houden en ze hulp bieden als ze nog steeds ergens niet uitkomen of op onverwachte vragen stuiten. Ik houd de groepjes of tweetallen goed in de gaten, hoe ze samenwerken en of ze niet praten over iets anders dan hun werk.

 

Nu werkt dit bij mij in de klas op een basisschool in groep 7/8 dus ik kan niet zeggen hoe dit zal uitpakken op het middelbaar onderwijs. Wat ik wel weet is dat leerlingen kunnen samenwerken als je het goed voorbereid en als je dingen los kunt laten.

Wat ik hierboven heb beschreven geldt voor de ochtenden. Dan moeten de leerlingen rekenen, taal en opdrachten van de weektaak maken.


Wat ik belangrijk vind voor als ik zelf op het middelbaar onderwijs ga werken is het volgende:

 

Ø     Introduceer het samenwerkende leren rustig. Niet meteen alles omgooien en doordrukken wat je zelf wilt maar geleidelijk toewerken naar hoe jij het wilt.

 

Ø     Overleg met andere leerkrachten. Als ik de enige ben die zo wil lesgeven is het anders dan dat iedere leerkracht op deze manier lesgeeft. Het laatste is wel het meest ideale. Mocht dit niet zo zijn dan moet je er rekening mee houden dat ze in andere klassen op een andere manier les krijgen.

 

Ø     Betrek de leerlingen bij deze vorm van lesgeven. Als leerlingen er zelf over nadenken en samen met jou er voor kiezen dat dit een goede manier is dan zullen ze gemotiveerder zijn dan als je alles zelf bepaald. Je kunt ze altijd wel een bepaalde richting op laten denken..

 

 

Het volgende BIT – verslag is uit het boek “Effectief leren” hoofdstuk 4.

 

Een begin maken met samenwerkend leren.

 

In dit hoofdstuk worden er drie argumenten genoemd waarom het zo belangrijk is om leerlingen te leren samenwerkend te leren.

1.      Effectief leren.

Hierbij vond ik de laatste regel heel duidelijk. Uit vrijwel elk onderzoek op dat het gebied (van samenwerking) blijkt dat verwoorden van wat je weet, effectiever is dan stil voor jezelf leren. Waarbij het laatste al effectief kan zijn.

2.      Organisatie van de onderwijsleersituatie.

Als het goed georganiseerd is dan heb je als leerkracht tijd over om leerlingen te helpen die extra hulp nodig hebben. Dit probeer ik in mijn klas ook veel te doen en het helpt als je de ‘goede’ leerlingen veel zelf laat doen. Zo houdt je meer tijd over voor de ‘zwakkere’ leerlingen.

3.      Maatschappij.

Ik ben het ermee eens dat leerlingen moeten leren om zichzelf goed te kunnen verwoorden. Als je leerlingen laat samenwerken dan ontkomen ze er niet aan om af en toe hun mond open te trekken.

 

De voorbeelden in 4.1 laten goed zien wat wel en wat niet onder samenwerkend leren valt. Het is niet genoeg om de leerlingen bij elkaar in groepjes te zetten en ze dan maar aan hun lot over te laten. De leerlingen kunnen allemaal een eigen opdracht krijgen in hun groepje. Voorbeelden te over in de tabel op bladzijde 96. Ik heb nog nooit leerlingen op deze manier laten samenwerken maar ik wil het wel een keer proberen om het op deze manier te doen. Ik ben benieuwd wat er uit komt!

 

De vijf sleutelbegrippen voor succesvol samenwerkend leren

 

1.      positieve wederzijdse afhankelijkheid

Hierbij moeten leerlingen inzien dat ze elkaar nodig hebben om de opdracht af te krijgen. Ze moeten het nut ervan inzien. Voorbeelden zijn te zien in de eerder genoemde tabel op blz. 96.

 

2.      Individuele aanspreekbaarheid

Belangrijk hierbij is denk ik dat leerlingen niet weten wie er de beurt krijgt om bijvoorbeeld de som uit te leggen. Ook een goed voorbeeld vond ik het idee om iedere leerlingen een aparte kleur stift te geven zodat je kunt zien wat het aandeel is van elke leerlingen.

 

3.      Directe interactie

Hierbij moet je goed opletten dat de leerlingen daadwerkelijk met elkaar kunnen overleggen en dat ze de ander dus ook goed moeten kunnen zien. Opletten op hoe de tafels staan dus.

 

4.      Sociale vaardigheden.

Belangrijk is dat leerlingen sociaal vaardig zijn. Zijn ze dit niet dan kan samenwerkend leren wel eens moeilijk voor ze zijn.

 

5.      Evaluatie en bijstelling van groepsprocessen

Leerlingen kun je goed laten vertellen hoe ze het samenwerken vinden gaan. Samenwerkend leren wordt effectiever als groepsleden regelmatig hun eigen functioneren daarin bespreken.

 

Er worden drie basisstructuren genoemd voor samenwerkend leren die voor mij nieuw waren.

 

Ø     check-in-duo’s

Ø     denken-delen-uitwisselen

Ø     eenvoudige experts

 

Ik vind ze alle drie goed om te doen en ik wil deze week met check-in-duo’s het huiswerk bespreken. Als dit goed gaat dan wil ik de andere ook proberen. Belangrijk vind ik het dat de leerlingen zich niet kunnen verstoppen. Elke leerlingen moet aan het einde van de oefening kunnen uitleggen wat er in de groep is besproken. Een grote individuele aanspreekbaarheid dus. Ook vind ik de positieve wederzijdse aanspreekbaarheid die benoemd wordt belangrijk.

Goede voorbeelden van samenwerkingsstructuren zijn te vinden op blz. 106 t/m 110.

 

Wouter Fondse

Dossieropdracht 10 De watertoren (of eigenlijk het waterleidingbedrijf)

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 13, 2009 by wiskundewouter

Eerst heb ik de opdracht zelf gemaakt. Hier werd al snel duidelijk dat er een hoop onduidelijkheden inzaten. Hierna heb ik de onduidelijkheden opgeschreven en de originele tekst geprobeerd zo eenvoudig en duidelijk mogelijk opnieuw op te stellen. Hieronder het resultaat.

 

Het waterleidingbedrijf

 

Het waterleidingbedrijf meet hoeveel water er wordt verbruikt. Hieronder zie je de gegevens van het waterverbruik van Veenendaal. Het is gemeten over 24 uur.

 

Het waterleidingbedrijf gebruikt een watermeter. Hiermee wordt het verbruik gedurende 24 uur aangegeven.

De watermeter staat om 0 uur op 0 m3.

De oppervlakte in de grafiek geeft aan hoeveel er is verbruikt. Eén hokje staat gelijk aan 1000 m3

 

In de grafiek kun je zien dat er na 2 uur ongeveer 3200 m3 is verbruikt.

Na 4 uur is er ongeveer 6300 m3 verbruikt (3200 m3 + 3100 m3)

 

a.                 Lees in de grafiek af wat de waterstand is om 10 uur in de morgen.

 

b.                 Lees in de grafiek af hoeveel m3 water er is verbruikt tussen 12 uur en 15 uur.

 

Er zijn ook grootverbruikers, zij verbuiken heel veel water. Deze grootverbruikers nemen in hetzelfde gebeid met z’n allen 12.000 m3 af.

De grootverbruikers nemen het water gelijkmatig af. Elk uur wordt dus evenveel water afgenomen.

 

c.                  Teken in de grafiek het waterverbruik van de grootverbruikers over een periode van 24 uur. Teken het waterverbruik met rood.

Wouter Fondse

Dossieropdracht 9 – BIT verslag

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 2, 2009 by wiskundewouter

Voor deze opdracht mocht ik een stuk uit het boek ‘Wiskundeonderwijs in de basisvorming’  lezen en opschrijven wat ik begrijp, wat ik kan integreren en wat ik kan toepassen.

De tekst is niet zo moeilijk te begrijpen. Het gaat over leerlingen die moeite hebben met taal en dat ze daar dan ook met wiskunde problemen van kunnen ondervinden. Er worden veel voorbeelden genoemd van waar kinderen moeite mee kunnen hebben. Ik werk zelf op een ‘zwarte school’. Hier is het zo dat vrijwel alle leerlingen een taalachterstand hebben. Ik merk het niet zozeer bij de rekenlessen maar wel bij de toetsingen van CITO. Zij stellen vragen in een context en net op een andere manier dan de leerlingen gewend zijn. Dit is erg lastig voor de meeste en dat zie ik ook terug in de scores, helaas. Wat ik mijn leerlingen wil meegeven is dat ze het onderscheid zien in de verschillende vragen. Bij 12.3 wordt verteld dat er drie verschillende vragen zijn namelijk: Doe-vragen, bij dit type vragen weten de leerlingen wat de bedoeling is en kan eraan gewerkt worden. Bij zulke vragen moet je ook de uitwerking zien. Rekenvragen, Bij zulke vragen gaat het voor om het antwoord. En als laatste heb je denkvragen, bij deze vragen gaat het om de uitleg die de leerlingen geven. Ik wil hier de komende weken eens mee aan de slag gaan met de rekenlessen, kijken of ik ze alle drie over kan brengen op de leerlingen!

Wat ik verder een goed idee vond voor leessituaties is dat de leerlingen kunnen navertellen in hun eigen woorden wat er nu eigenlijk staat. Je kunt op deze manier goed controleren of de leerlingen het inderdaad begrepen hebben.

Als laatste wil ik noemen dat je natuurlijk veel dingen kunt uitleggen. Moeilijke woorden bespreken met de leerlingen en vragen of iemand een ander, gewoner woord weet.

Wouter Fondse

Dossieropdracht 6 h BIT-leesverslag van “Geerlings” paragraaf 10.1 t/m 10.12

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on januari 1, 2009 by wiskundewouter

      Maak een BIT-leesverslag van “Geerlings” paragraaf 10.1 t/m 10.12. Verwerk dit onderdeel van deze opdracht op je blog.  

 

Ik vond dit wel een pittige opdracht. Ik heb geprobeerd per paragraaf aan te geven wat ik herkende, nog niet wist of interessant vond om te vermelden. Niet alle paragrafen leenden zich hiervoor. Wat dat betreft miste ik vaak de voorbeelden voor wiskunde.

Na het lezen van deze tekst kan ik wel zeggen dat me een hoop duidelijk is geworden en als ik het moet samenvatten dan zou ik zeggen dat het belangrijk is om goed te overleggen met je collega’s, dat je goed moet nadenken over het maken van een toets en dat het belangrijk is om zo objectief mogelijk proberen te becijferen.

 

10.1 Entree

Uit deze paragraaf heb ik gehaald dat het voor leerlingen belangrijk is om te weten hoe de toets er uit ziet. Als leerlingen weten dat ze kennis moeten kunnen reproduceren dan zullen ze dat gaan leren. Als ze weten dat er met toetsen toepassingen van kennis wordt getoetst zullen ze zich dat ook aanleren.

Verder vond ik het vreemd om te lezen dat leerkrachten bij slechte prestaties ervan uit gaan dat het aan de leerlingen ligt. Dit had ik in het begin van mijn ‘onderwijsloopbaan’ ook wel maar later ben ik er wel achter gekomen dat je als leerkracht een grote invloed kan hebben op de leerlingen. Dit kan positief zijn als je de leerlingen goed kan laten presteren maar het kan natuurlijk ook negatief zijn.

 

10.2 Meten, normen, waarderen en beslissen

In deze paragraaf wordt er wat dieper ingegaan op het evalueren of beoordelen van de leerprestaties. De vier aspecten (meten, normeren, waarderen en beslissen) die worden genoemd zijn wel bekend. Wel vond ik het interessant om te lezen dat er ook gekozen kan worden om na de toets pas te kijken hoe het wordt genormeerd. Ik ben dit niet gewend maar dit zal ik misschien nog tegen komen als ik in het middelbaar onderwijs ga werken.

Op school hebben we enkele discussies gevoerd over de waardering van rekentoetsen. Het was altijd zo dat we een cijfer gaven voor elke toets en remediëren wat niet goed ging. Een aantal leerkrachten wilden geen cijfer geven voor de toetsen maar alleen registreren wat de leerlingen kunnen en remediëren wat nog niet goed ging. Er is vorig jaar besloten om de voorkant van de toets te becijferen, hier wordt ook de elementaire stof gevraagd. De achterkant wordt nagekeken en verder niet becijferd. Dit zijn complexere sommen.

Ik ben het hier wel mee eens alleen is het zo dat leerlingen minder gemotiveerd zijn om de achterkant te maken omdat deze niet meetelt.

 

10.3 Gebruikswijzen van beoordelingsresultaten

Wat me opvalt in deze paragraaf is het verschil tussen toetsen. Ik heb hier nooit zo over nagedacht maar het is wel logisch dat je formatieve evaluaties niet meetelt. Bij 10.2 heb ik geschreven dat we op school hier een discussie over hebben gehad. Ik zal de volgende keer dat we hier over discussiëren dit meenemen.

Wat verder logisch is maar waar ik nooit over nagedacht heb ik dat de summatieve toetsen natuurlijk moeten voldoen aan hogere eisen omdat er soms heel veel van af hangt voor de leerlingen.

 

10.4 Middelen voor evaluatie van leerprestaties

Bij deze paragraaf staan niet echt evaluatie middelen die ik kan koppelen aan het wiskundeonderwijs.

 

10.5 Kwaliteitseisen voor evaluatiemiddelen

Ik heb hier geleerd dat een toets valide en betrouwbaar moet zijn. Het één kan los staan van de ander. Een toets kan betrouwbaar zijn maar niet valide als er niet wordt gevraagd wat er gevraagd moet worden (lees het voorbeeld van de geschiedenistoets op blz. 332)

Wat ik interessant vond om te lezen was hoe het kan dat een leerkracht soms heel subjectief nakijkt. Enkele kenmerken kwamen mij bekend voor. Het voorbeeld van een leerkracht die de standaard naar beneden of boven verschuift als blijkt dat de toets te goed of te slecht is gemaakt. Nu is dit niet mogelijk bij de rekenmethode die ik gebruik in groep 7/8 maar ik herken het wel bij toetsen van andere vakken die ik nakijk. Ook herken ik het probleem dat een leerkracht gewoontegetrouw mild nakijken. Eigenlijk moet ik zeggen dat mijn collega van groep 5/6 slecht nakijkt. De leerlingvolgsysteemtoetsen worden door hem nagekeken en hij laat heel vaak heel veel fouten zitten. Als de leerlingen dan bij mij in de groep komen dan scoren ze natuurlijk lager op deze toetsen omdat ik beter nakijk..

Ook herkenbaar is het halo-effect. Als een leerling slordig schrijft dan heb ik al weinig zin om de toets na te kijken. Andersom geldt ook dat het prettig is om een toets na te kijken die duidelijk leesbaar en er netjes uit ziet. Soms moet ik mezelf corrigeren als ik denk bij een leerling:‘Ach, ze heeft goed haar best gedaan en meestal haalt ze goede cijfers dus ze zal hier wel het goede antwoord mee bedoelen..’ Ik probeer zo objectief mogelijk na te kijken maar het is goed om te lezen dat andere leerkrachten hier ook soms moeite mee hebben.

Het contaminatie effect geldt natuurlijk voor mijn collega die de toetsen niet goed nakijkt. Ik moet zeggen dat ik het niet leuk vind als mijn leerlingen niet goed scoren maar ik zal de cijfers van de leerlingen niet verhogen.

 

10.6 Overwegingen bij de keuze van een evaluatiemiddel

Uit deze paragraaf wil ik in ieder geval het prognosecijfer noemen. Het lijkt mij een goed idee om de leerlingen af en toe op te laten schrijven wat ze denken wat hun cijfer voor een toets is. Mocht dit erg afwijken dan kun je met de desbetreffende leerlingen gaan praten en zo kom je er misschien achter wat de reden hiervoor is.

Niet echt nieuw voor mij maar wel interessant is de vraag of je als leerkracht alleen verantwoordelijk bent voor het geven van cijfers. In dit stuk komt ook naar voren dat medeleerlingen ook mee kunnen beslissen over een cijfer en dat leerlingen zelf dit ook kunnen. Ik probeer dit af en toe in de klas met spreek- en boekenbeurten. Meestal zijn leerlingen vrij eerlijk over anderen en komt hun gemiddelde vaak overeen met mijn eindoordeel. Ik wil dit later ook gaan toepassen als ik wiskunde ga geven.

10.7 Mondelinge toetsing

Deze paragraaf gaat over mondelinge toetsing. Niet echt gebruikelijk voor wiskunde denk ik. Je kunt denk ik alleen mondeling toetsen tijdens de les als je leerlingen vragen stelt. Dit doe ik als ik met de uitleg bezig ben, als ik de voorkennis aan het ophalen ben. Dit telt alleen niet mee voor een cijfer dus mondelinge toetsen zijn bij mij niet aan de orde.

 

10.8 Open vragen

Ik vond deze paragraaf best lastig. Er wordt het één en ander verteld over open- en gesloten vragen. Ik vind het jammer dat dit boek niet specifiek is voor aankomende wiskunde leerkrachten. De voorbeelden die gegeven worden zijn bijna altijd gericht op andere vakken. Ik mis hier de voorbeelden voor wiskunde.

 

10.9 Gesloten vragen

Ik kon hier geen dingen in ontdekken die mij verder kunnen helpen met mijn wiskundestudie. Bij mij op school hebben we toetsen van de rekenmethode. Hier geldt natuurlijk ook dat het altijd gesloten vragen zijn. Er is altijd maar één antwoord mogelijk. Dit is natuurlijk erg objectief. Het enige wat subjectief kan zijn is als je zelf de toets maakt.

10.10 Het is wel een apart idee om met wiskunde een werkstuk te laten maken, misschien kan het maar ik heb hier nog nooit van gehoord. Het zou een idee kunnen zijn voor leerlingen die voor lopen en dit als extra opdracht hebben.

10.11 Normeren van leerprestaties in schoolcijfers

Ik heb altijd gedacht dat van tevoren werd besloten hoeveel punten je moet halen voor een voldoende. In deze paragraaf heb ik gelezen dat je relatief kunt normeren. Voor beide is iets te zeggen maar het compromis vond ik eigenlijk wel goed. Je moet heel goed nadenken over de toets, maak hem niet te gemakkelijk en niet te moeilijk. Probeer goed in te schatten hoe de leerlingen gaan scoren. Mocht blijken dat heel veel leerlingen een onvoldoende hebben dan kan er nog eens gekeken worden naar de toets. Te moeilijke vragen en vragen die meerduidig waren kunnen worden geschrapt.

Wanneer het aantal onvoldoendes nog tegenvalt dan is er de ‘al te gek’- clausule, die in werking treedt als het percentage onvoldoendes erg tegenvalt.

Dit lijkt me wel goed te onthouden voor als ik wiskunde toetsen ga maken en nakijken.

 

10.12 Waardering van leerprestaties in schoolcijfers

Het lijkt mij belangrijk om goed te overleggen met andere wiskunde collega’s. Hoeveel fout per punt rekenen zij? Welke norm hebben ze, van 1 tot 10 of van 4 tot 8. Ik vind het belangrijk dat je op dezelfde lijn zit. Goed overleg is noodzakelijk!

Bij mij op de basisschool hebben we jaren geleden afgesproken om de 4 als laagste cijfer te geven. Hier ben ik het wel mee eens. Het geeft de leerlingen meer kans om hun cijfer op te halen. Met een 1 is dit heel moeilijk!

In het boek staat ook dat er naast cijfers voor vakken ook opmerkingen mogen over het gedrag van de leerling. Bij ons op school gebeurt dit. Voordeel is wel dat ik de leerlingen de hele week onder mijn hoede heb en dat dit natuurlijk niet het geval is als je lesgeeft op het middelbaar onderwijs.

Ik wil twee dingen gaan doen de komende weken:

1. De toetsen wil ik horizontaal na gaan kijken en de namen afplakken.

2. Ik heb nog eens nagedacht over de mondelinge toetsen. Ik had nog niet eerder gehoord dat het kon bij wiskunde maar ik wil het toch proberen. Ik heb sinds vorige week een Lio-stagiaire en dat betekent dat ik wat meer tijd heb om leerlingen individueel te spreken en toetsen. Ik wil een aantal leerlingen uit groep 8 gebruiken voor dit ‘experiment’. Om en om wil ik ze iets van 5 open vragen laten beantwoorden voor een cijfer. Ik ben benieuwd of dit gaat lukken!

 

Wouter Fondse

Dossieropdracht 6 g

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on december 31, 2008 by wiskundewouter

Lees paragraaf 5.1 t/m 5.5. Kies uit de mogelijkheden van paragraaf 5.4 de vijf best uit en beargumenteer je keuze. Verwerk dit onderdeel van deze opdracht op je blog.

Na deze paragrafen te hebben gelezen is me duidelijk geworden dat er nogal wat bij komt kijken bij de voorbereiding van een proefwerk. De lessen vooraf, de instructie tijdens en de bespreking na het maken van een proefwerk.

Ik mocht kiezen uit uit 14 verschillende activiteiten voor het nabespreken van een proefwerk.

De volgende vijf heb ik gekozen:

  • Cijfers voorlezen (je kunt daarbij ook een steelbladdiagram of een boxplot tekenen van de cijfers, dat kan zeer informatief zijn voor de klas). Vooral wat tussen haakjes staat vind ik wel leuk bedacht. Op deze manier ben je informatief en een klein beetje educatief bezig.
  • Kopie van de opgaven op transparant en de meeste gemaakte fouten bespreken. Ik vind dit één van de beste activiteiten die er bij staat omdat je dan het grootste gedeelte van de klas erbij betrekt. Een leerlingen die als enige een opgave fout heeft gemaakt zal niet de hele klas ophouden met vragen hierover. Ik zou ook de fout gemaakte opgaven laten uitleggen door leerlingen die deze wel goed hebben gemaakt. Zo houdt je ook deze leerlingen betrokken.
  • De normering toelichten. Dit heeft ook te maken met het volgende punt wat ik heb opgeschreven. De leerlingen zullen misschien goed opletten om te kijken of ze ergens extra punten moeten krijgen.
  • Tijd beschikbaar stellen om vragen te stellen over de beoordeling (in of buiten de les). Ik vind je de leerlingen de gelegenheid moet geven om te kunnen reageren op het gemaakte werk. Dit zorgt er misschien ook voor dat de leerlingen goed meedoen met het bespreken van de toets en de normering omdat ze weten dat ze misschien nog een hoger cijfer kunnen krijgen.
  • Discussie over de resultaten: ben je tevreden met het behaalde cijfer en waarom? Dit kun je als laatste doen. Zo krijg je een beetje een beeld van wat er leeft onder de leerlingen. Als ze een onvoldoende hebben ligt het dan aan het niet maken van het huiswerk, ligt het aan je instructie, ligt het aan het niet opletten in de les, is de stof te moeilijk voor ze enz.

Wouter Fondse

Dossieropdracht 3 – voorbereiding KZA les

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on december 28, 2008 by wiskundewouter

a)       Stel vast en schrijf op welke voorkennis nodig is bij de les over opgave 29 t/m 40.

 

Ø      De leerlingen weten wat de stelling van Pythagoras is.

Ø      De leerlingen weten wat kwadraten zijn en kunnen deze toepassen.

Ø      De leerlingen weten wat wortels zijn en kunnen deze toepassen.

 

b)      Omschrijf correct minimaal twee doelstellingen van je les. Doe dit in concreet waarneembaar leerling-gedrag (denk aan inhoud, gedrag, voorwaarde en prestatie)

 

Ø      Ik wil dat de leerlingen aan het einde van de les met behulp van de stelling van Pythagoras de korte zijde in een rechthoekige driehoek kunnen berekenen als de andere twee zijden bekend zijn.

Ø      Ik wil dat de leerlingen aan het einde van de les met behulp van de stelling van Pythagoras de lange zijde in een rechthoekig driehoek kunnen berekenen als de andere twee zijden bekend zijn.

Ø      Ik wil dat de leerlingen actief mee doen met de les en waar mogelijk interactief bezig zijn met elkaar en/of met mij.

 

c)       Maak nu een verdeling van de opgaven in Klassikaal behandelen, Zelfwerkzaamheid en Afronding/Huiswerk.

 

Ø      Klassikaal behandelen. Ik wil eerst de stof van de vorige les kort doornemen om de voorkennis te activeren en om de eventuele knelpunten te behandelen. Ik wil de leerlingen vragen wat een kwadraat en wat een wortel is. Hierna wil ik opdracht 28 met ze bespreken.

Na heel kort de voorkennis te hebben geactiveerd wil ik snel naar de opdrachten gaan die ze gaan maken.

Ik wil van elk van de drie onderdelen die in deze les zitten een som samen met ze doen. Dat zijn opdracht 29, 32 (werkschema) en 35 (korte zijde berekenen).

Ø      Zelfwerkzaamheid

30, 31, 33, 34, 36

Ø      Afronding/Huiswerk

37, 38, 39, 40

 

 

d)      Bedankt twee controlevragen bij opdracht 36.

 

1.       Hoe lang is de langste zijde?

2.       Hoe bereken je op welke hoogte de ladder tegen de muur aanstaat. Je kunt deze vraag laten uitleggen zonder dat het antwoord gegeven wordt.

 

e)      Welke overgangen zitten er in je les en hoe ga je deze organiseren? Schrijf van

één overgang letterlijk op wat je tegen leerlingen zegt en wees heel precies.

 

1.   Als eerste is er een overgang van het moment dat de leerlingen de klas inkomen en dat je wilt beginnen met de les. Ik wil dat de leerlingen op hun plaats gaan zitten en hun spullen meteen voor zich pakken. Ze doen hun schrift en boek open waar we gebleven zijn. De opdrachten die we gaan bespreken en maken staan op het bord.

2.   Ik begin dan met de voorkennis activeren. Hierbij mogen de leerlingen reageren. Ik geef dan beurten en zal eventuele vragen beantwoorden. De leerlingen kunnen hierbij hun vinger opsteken als ze iets willen vragen.

3.       Nadat de voorkennis is geactiveerd wil ik drie opdrachten met ze samen doen. Ook hier geef ik beurten aan verschillende leerlingen en ook hier mogen ze hun vinger opsteken om vragen te stellen.

4.       Na dit gezamenlijk te hebben gedaan wil ik dat ze zelfstandig aan het werk gaan met de opdrachten die ik op het bord heb gezet (30, 31, 33, 34, 36). Hierbij zal ik rondlopen en de leerlingen individueel helpen. Ik wil hierbij niet meer klassikaal uitleggen. De leerlingen mogen overleggen met andere leerlingen die naast hun zitten. Dit zal ik ze ook vertellen.

5.       Als we aan het einde van de les komen wil ik het gemaakte werk met ze evalueren. Hierbij wil ik dat uit de leerlingen komt wat we hebben besproken. Als laatste wil ik bespreken hoe ze hebben gewerkt en ze erop wijzen dat ze het huiswerk in hun agenda moeten hebben opgeschreven.

 

Ik wil de overgang opschrijven tussen 3 en 4.

 

We hebben nu de lesstof besproken en jullie kunnen nu zelf de opdrachten maken die op het bord staan geschreven. Mocht je er niet uit komen, kijk dan op het bord naar hoe we samen de voorbeeldsommen hebben uitgerekend. Je mag ook overleggen met degene die naast je zit. Mocht je er dan nog niet uitkomen dan kun je het aan mij vragen. Ik zal rondlopen en ik zal je dan op weg proberen te helpen met het maken van de opdrachten. Je mag zachtjes overleggen en als je iets aan mij wilt vragen steek dan je vinger op. Als ik ergens anders aan het uitleggen ben ga dan vast door met de opdrachten die je wel begrijpt. Zijn er nog vragen? Zo niet, dan mogen jullie beginnen.

 

Ik wacht even totdat iedereen aan het werk is en dan zal ik na een paar minuten beginnen met een rondje door de klas. Ik maak in mijn klas die ik nu heb ( groep 7/8 ) altijd hetzelfde rondje. Misschien dat dit in het middelbaar onderwijs ook handig is maar dat weet ik nog niet. Ik wil de leerlingen niet de antwoorden gaan voorzeggen maar ze op weg helpen zodat ze de opdrachten uiteindelijk zelf kunnen maken.

 

f)         Pak de zes sleutelbegrippen van Ebbens en paragraaf 4.4 van Lagerwerf er nog eens bij. Waar en hoe kun je in je les deze zaken een plek geven?

 

Ø      Heldere structuur in de opbouw van de leerstof.

 

Ik begin met het activeren van de voorkennis. De leerlingen zullen dan niet al te veel problemen hebben met de stof die hierop volgt en ze weten waar ze aan toe zijn.

 

Ø      Juiste niveau van de leerstof.

 

Vooral bij de zelfwerkzaamheid kan ik de leerlingen die extra hulp nodig hebben helpen. De leerlingen die de stof onder de knie hebben kunnen zelfstandig doorwerken terwijl ik wat meer aandacht kan geven aan de ´zwakkere´ leerlingen.

 

Ø      Betekenis geven aan de leerstof.

 

De kwadraten en wortels hebben ze nodig voor de stelling van Pythagoras. De stelling van Pythagoras krijgen een betekenis in de opdrachten 34, 36, 37, 38 en 39. (de vlieger, ladder en TV).

 

Ø      Individuele aanspreekbaarheid.

 

Ik wil alle leerlingen meerdere keren in de les de kans bieden om iets te zeggen of om ergens op te reageren. Ik wil het bij het klassikale gedeelte en de afronding interactief houden.

 

Ø      Zichtbaarheid van leren en denken

 

Door veel vragen te stellen bij het klassikale gedeelte en het rondlopen door de klas bij het zelfstandig werken hoop ik een goed beeld te krijgen van de leerlingen of ze het begrijpen of niet.

 

 

 

Ø      Motivatie

 

Ik wil de leerlingen positief benaderen als dit mogelijk is. Het kan wel zo zijn zoals omschreven in ´Overgangen in de les´ dat er situaties zijn dat je als politieman moet optreden maar het liefste geef ik duidelijk aan welk gedrag gewenst is en geef ik zo een positieve richting aan zonder dat er een strijdbare situatie ontstaat.

Dossieropdracht 4 feedback lesvoorbereiding

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on december 16, 2008 by wiskundewouter

Feedbackformulier bij dossieropdracht 3 (Pythagoras)

Bijeenkomst 2

Naam maker dossier: Wouter Fondse                        Naam beoordelaar: Ellen Balemans

 

a.      Wordt de voorkennis goed benoemd?

De voorkennis wordt uitgebreid benoemd, maar ik vind het berekenen van de korte en langste zijde niet bij de voorkennis horen, omdat de instructie daarover in de les gegeven wordt.

 

b.     Worden (minimaal) twee doelstellingen (in concrete waarneembaar leerlingengedrag) goed geformuleerd?

Er zijn voldoende doelstellingen geformuleerd, zowel inhoudelijk als gericht op het leerling-gedrag.

 

c.      Wat vind je van de verdeling klassikaal/zelfstandig/afronding.

Er is duidelijk gekozen voor eerst een stuk klassikaal, daarna zelfstandig gevolgd door de afsluiting, zoals het KZA model ook beschrijft. Ik heb hier zelf meer afwisseling in, omdat ik merk dat als ze te veel informatie in 1 keer krijgen, sommige leerlingen het niet meer overzien.

 

d.     Wat vind je van de twee controlevragen bij opdracht 36?

Door de vragen die er gesteld worden, krijgen de leerlingen een handreiking hoe ze de opdracht kunnen maken, zonder dat het antwoord gegeven wordt.

 

e.      Hoe vind jij dat de overgang (´schrijf een overgang letterlijk op, wees heel precies´) beschreven is?

De overgangen zijn duidelijk beschreven. Ook de overgang die uitgeschreven is, is duidelijk. Naar mijn mening moeten de leerlingen hier goed mee aan het werk kunnen.

 

f.        Komen een aantal sleutelbegrippen terug en wat vind je van wat er opgeschreven is?

De sleutelbegrippen worden allemaal besproken, ik denk inderdaad dat ze allemaal in de les zitten. Ik vind het onderdeel motivatie mooi beschreven, dat je aangeeft wat je wel wilt en dat je geen politie wilt spelen.

 

Ellen en ik hebben de feedback die we elkaar hebben gemaild in de les besproken. Ik was het wel met haar eens wat ze schrijft bij punt a, over de voorkennis van de leerlingen. Ik had daar twee dingen bijstaan die nog niet tot de voorkennis behoorde. De stof daarover kregen ze pas in de komende les. Ik heb dit ook veranderd in mijn dossieropdracht 3.

 

Wouter Fondse

Dossieropdracht 2 BIT verslag

Posted in Vakdidactisch project jaar 2 vakdeel on november 23, 2008 by wiskundewouter

Effectief leren in de klas hoofdstuk 1 en 2.

Het boek is vrij duidelijk, de meeste informatie die er in staat heb ik gehad op mijn voorlopleiding, de PABO. Het sluit wel goed aan op de cursus die ik nu volg en ik heb een aantal dingen gelezen die ik was vergeten of nog niet wist. Ik heb een heleboel dingen gelezen die voor mij vanzelfsprekend zijn omdat ik op een zelfde manier probeer les te geven als ze beschrijven in het boek. Ik probeer effectief onderwijs te geven door middel van de leerlingen bij de les te betrekken. Ik wil dat ze zelf achter dingen komen. Ik geef veel directe instructie. Ik loop altijd een rondje door de klas na de instructie en ik maak gebruik van het stoplicht model. Ook heb ik een instructietafel in de klas en probeer ik de kinderen een veilig gevoel te geven.

Ik heb wel een aantal dingen gelezen die ik verder wil ontwikkelen. Eén daarvan gaat over de individuele aanspreekbaarheid. Het voorbeeld in het boek over hoe je dat kon doen sprak me aan. Het voorbeeld was dat je de leerlingen het antwoord van jouw vraag laat opschrijven, hier mogen ze twee minuten over doen. Na deze twee minuten mogen ze in tweetallen discussieren en dan stel ik ze de vraag wat het antwoord is. Zo betrek je alle leerlingen bij de les en zo kun je goed nagaan of iedereen het heeft begrepen.

Ik heb hierboven al geschreven dat ik een rondje loop na de uitleg. Ik wil dit verder uitbreiden. Na mijn eerste rondje wil ik de leerlingen zelfstandig laten werken en dan doe ik een twee rondje. Hierin wil ik ze niet dingen voorzeggen maar helpen bij de vraag zodat ze het zelf kunnen. Aan het einde van de les wil ik een derde rondje doen om te controleren of ze het allemaal hebben begrepen en of ze hun werk af hebben.

Ook wil ik aan het einde van de week de reken- en taalstof evalueren.

Waar ik het ook mee eens was maar niet zelf toepas zijn de aandachtsrichters. Het is een goed idee om voor elke les een aandachtsrichter te hebben zodat je meteen de aandacht hebt van de leerlingen maar het is een beetje teveel van het goede om voor elke les zoiets in de klas te halen. Het lijkt mij niet haalbaar. Wel voor een keertje, maar niet voor elke les.

Als laatste moet ik mezelf eraan helpen herinneren dat leerlingen soms langer de tijd nodig hebben om antwoord te geven op een vraag. In het boek staat dat je leerlingen drie seconden moet geven totdat ze tot een antwoord moeten komen.

Wouter Fondse